Leonardo-banner

 
loopbaan
vliegveiligheid
verhalen
foto-album
feedback


George Weller en mijn vader: Nagasaki na de atoombom

In 2005 was het 60 jaar geleden dat de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki werden afgeworpen. Daarmee werd het einde ingeluid van de Tweede Wereldoorlog. De ontploffing van de bom op Nagasaki werd ook de gebeurtenis die de kruising veroorzaakte van de levenspaden van twee zeer verschillende mensen: de een was mijn vader en de ander de amerikaanse oorlogsverslaggever George Weller. Deze ontmoeting, met de gevolgen voor beide mannen en de hereniging tussen hen die altijd zo dichtbij was maar niet tot stand kwam. Dat is de reden geworden waarom dit verhaal ook in de toekomst nog bewaard moet worden. Het is geworden tot dat wat niet verloren mag gaan.

Mijn vader werd geboren in 1921 in Rijswijk. Op jonge leeftijd verhuisde het hele gezin naar het toenmalige Nederlands Indië. De relatief lange tijd die mijn vader in Nederlands Indie heeft gewoond heeft naar mijn mening sterk bijgedragen aan zijn vermogen tot overleven dat in de Tweede Wereldoorlog gevraagd werd. Het onmenselijke regime van de Japanners ten opzichte van de autochtone bevolking maar ook naar Europese inwoners van Nederlands Indië en andere koloniën toe is inmiddels genoegzaam bekend. De wreedheden die de Japanse overheersers begingen waren ook onvoorstelbaar als het ging om de Geallieerde krijgsgevangenen. Het feit dat de deze soldaten zich hadden overgegeven en niet vrijwillig de dood hadden gezocht paste in het geheel niet in de cultuur van het Japanse keizerlijke leger. De geallieerde krijgsgevangenen hadden zich door hun handelen zodanig verlaagd dat dit de Japanners reden gaf om hen als een inferieur type mensen te behandelen.

Nico werd als 20 jarige KNIL soldaat gevangen genomen en werd tenslotte net als tienduizenden andere Geallieerde krijgsgevangenen verscheept naar Birma om te gaan werken aan de spoorlijn die de Japanners wilden aanleggen.

De Birma-spoorweg is de beruchte spoorweg tussen het toenmalige Birma (thans Myanmar) en Thailand. Deze verbinding werd in opdracht van de Japanse overheersers aangelegd door duizenden dwangarbeiders en krijgsgevangenen. Velen hebben dit niet overleefd. Met recht noemt men de spoorweg ook wel de 'Dodenspoorweg'. Tijdens de aanleg van deze spoorweg stierven, naast dwangarbeiders van andere nationaliteiten, ook bijna 3.000 Nederlandse krijgsgevangenen die destijds begraven werden langs de Birma-spoorweg. Later werden zij herbegraven in Birma en Thailand. De oorlog in Azië De oorlog in Europa gaf in het Verre Oosten Japan de gelegenheid aan uitbreiding van haar grondgebied te werken. Japan had de ogen gevestigd op Hongkong, Thailand, Malakka, de Filipijnen, Singapore en Nederlands-Indië. Op 7 december 1941 werd met de aanval op de Amerikaanse vlootbasis Pearl Harbor het offensief ingezet. Kort daarna had Japan het beoogde gebied in handen. Nu werd begonnen met het opbouwen van een sterke verdedigingsmacht. De Birma-spoorweg Teneinde het omvangrijke Japanse leger in Birma in stand te houden, ontstonden al snel plannen om de verbindingen met dit land te verbeteren. Deze liepen aanvankelijk via een gevaarlijke zeeroute en over wegen die bij lange na niet geschikt waren voor zwaar transport. Van een ideale aanvoerroute was dus zeker geen sprake. Men besloot de bestaande spoorweg in Birma van Rangoon naar Moulmein uit te breiden met een verbinding naar Bangkok in Thailand. Deze uitbreiding bestond uit de aanleg van 400 kilometer nieuwe spoorweg. Dit plan was niet eenvoudig uit te voeren. Het traject liep door bergachtig gebied en dichte oerwouden. Het tropische klimaat was zeer zwaar voor de dwangarbeiders. Voor de werkzaamheden maakten de Japanners onder andere gebruik van krijgsgevangenen uit de strijd in Azië. Vanaf juni 1942 werden zij regelmatig in grote groepen vanaf Java, Sumatra en Borneo naar Thailand of Birma gebracht. Ook uit Birma, Thailand, Maleisië en Nederlands- Indië werden grote groepen van de bevolking als dwangarbeiders ingezet voor het werk aan de spoorweg. Het werk De Japanners wilden de spoorweg in 14 maanden gereed hebben. Dit was geen eenvoudige opgave, gezien de gevolgde werkwijze. Zo werden bruggen met spijkers en touw in elkaar gezet. Het talud van de spoorweg bestond bijna alleen uit zand. Na de moessonregens moesten dan ook vele stukken in het traject opnieuw worden aangelegd. De spoorweg kwam gereed in december 1943. Vanaf dat moment bestonden de werkzaamheden uit onderhoud en het repareren van de schade die door geallieerde bommenwerpers werd toegebracht. Omdat de werkkampen vaak ingericht waren naast vitale punten van de spoorweg, vielen tijdens een bombardement vaak ook veel slachtoffers en gewonden onder de dwangarbeiders. De Japanse leiding gaf echter geen toestemming de kampen te markeren.

Voor verdere informatie rond de Birma Spoorweg volg deze link http://www.shbss.nl/

Nadat de spoorweg was voltooid eind 1943 was de vraag naar dwangarbeiders niet meer zo groot. Een groot aantal dwangarbeiders werd vervolgens verscheept naar Japan om daar te gaan werken. Net zoals bij de verscheping naar Birma werden veel van de schepen met bestemming Japan onderweg door Geallieerde vliegtuigen en onderzeeboten aangevallen. Mijn vader is getuige geweest van deze aanvallen.

 

'Disease X is still snatching away lives'

Pulitzer prize-winner George Weller was the first western reporter to reach Nagasaki in the aftermath of the atomic bomb. US censors suppressed his dispatches but, 60 years later, his son has unearthed copies of those original reports. Here we print some edited extracts

On August 9 1945, at 11.02am, Nagasaki was devastated by an atomic bomb dropped by an American B-29. George Weller was the first foreign reporter to evade General Douglas MacArthur's news cordon. Slipping away by boat at night from an officially controlled tour of another site, Weller reached the city by train on September 6, and began filing intensively for his paper, the Chicago Daily News - stories and notes totalling tens of thousands of words. All of it was suppressed by the US authorities, which also kept his original typescripts. But in the summer of 2003, a year after Weller's death, his son Anthony found the crate of fragile, discoloured carbon copies his father thought were lost. These extracts - some in abbreviated note form - show Weller's dawning realisation that the effects of the explosion were unlike anything so far seen.

Saturday September 8

A general alert had been sounded at seven in the morning, four hours before two B-29s appeared [on August 9], but it was ignored by the workmen [of the Mitsubishi plant] and most of the population. The police insist that the air-raid warning was sounded two minutes before the bomb fell, but most people say they heard none.

As one whittles away at embroidery and checks the stories, the impression grows that the atomic bomb is a tremendous, but not a peculiar weapon. The Japanese have heard the legend from American radio that the ground preserves deadly irradiation. But hours of walking amid the ruins where the odour of decaying flesh is still strong produces in this writer nausea, but no sign of burns or debilitation.

Nobody here in Nagasaki has yet been able to show that the bomb is different than any other, except in a broader extent flash and a more powerful knockout.

In swaybacked or flattened skeletons of the Mitsubishi arms plants is revealed what the atomic bomb can do to steel and stone, but what the riven atom can do against human flesh and bone lies hidden in two hospitals of downtown Nagasaki. Look at the pushed-in facade of the American consulate, three miles from the blast's centre, or the face of the Catholic cathedral, one mile in the other direction, torn down like gingerbread, and you can tell that the liberated atom spares nothing in the way. The human beings whom it has happened to spare sit on [illegible].

Showing them to you, as the first American outsider to reach Nagasaki since the surrender, your propaganda-conscious official guide looks meaningfully in your face and wants to know: "What do you think?" What this question means is: do you intend saying that America did something inhuman in loosing this weapon against Japan? That is what we want you to write.

Several children, some burned and others unburned but with patches of hair falling out, are sitting with their mothers. Yesterday Japanese photographers took many pictures with them. About one in five is heavily bandaged, but none [shows] signs of pain.

Some adults are in pain as they lie on mats. They moan softly. One woman caring for her husband shows eyes dim with tears. It is a piteous scene and your official guide studies your face covertly to see if you are moved.

Visiting many litters, talking lengthily with two general physicians and one x-ray specialist, gains you a large amount of information and opinion on the victims. Statistics are variable and few records are kept. But it is ascertained that this chief municipal hospital had about 750 atomic patients until this week and lost by death approximately 360.

About 70% of the deaths have been from plain burns ... But most of the patients who were gravely burned have now passed away and those on hand are rapidly curing. Those not curing are people whose unhappy lot provides the mystery aura around the atomic bomb's effects. They are victims of what Lt Jakob Vink, Dutch medical officer and now allied commandant of prison camp 14 at the mouth of Nagasaki harbour, calls "disease". Vink himself was in the allied prison kitchen abutting the Mitsubishi armour plate department when the ceiling fell in but he escaped this mysterious "disease X" which some allied prisoners and many Japanese civilians got.

Vink points out a woman on a yellow mat in hospital. She fled the atomic area but returned to live. She was well for three weeks except for a small burn on the heel. Now she lies moaning with a blackish mouth, stiff as though with lockjaw and unable to utter clear words. Her exposed legs and arms are speckled with tiny red spots in patches.

Near her lies a 15-year-old fattish girl who has the same blotchy red pinpoints and a nose clotted with blood. A little farther on is a widow lying down with four children, from one to about eight, around her. The two smallest children have lost some hair. Though none of these people has either a burn or a broken limb, they are presumed victims of the atomic bomb.

Dr Uraji Hayashida shakes his head sombrely and says that he believes there must be something to the American radio report about the ground around the Mitsubishi plant being poisoned. But his next statement knocks out the props from under this theory because it develops that the widow's family has been absent from the wrecked area ever since the blast, yet shows symptoms common with those who returned.

According to Japanese doctors, patients with these late-developing symptoms are dying now, a month after the bombs fell, at the rate of about 10 daily. The three doctors calmly stated that the disease has them nonplussed and that they are giving no treatment whatever but rest. Radio rumours from America received the same consideration with the symptoms under their noses. They are licked for cure and do not seem very worried about it.

 

September 9

The atomic bomb's peculiar "disease", uncured because it is untreated and untreated because it is not diagnosed, is still snatching away lives here.

Men, women and children with no outward marks of injury are dying daily in hospitals, some after having walked around three or four weeks thinking they have escaped.

The doctors here have every modern medicament, but candidly confessed in talking to the writer ... that the answer to the malady is beyond them. Their patients, though their skin is whole, are all passing away under their eyes.

Kyushu's leading x-ray specialist, who arrived today from the island's chief city, Fukuoka, elderly Dr Yosisada Nakashima, told the writer that he is convinced that these people are simply suffering from the atomic bomb's beta gamma, or the neutron ray is taking effect.

"All the symptoms are similar," said the Japanese doctor. "You have a reduction in white corpuscles, constriction in the throat, vomiting, diarrhoea and small haemorrhages just below the skin. All of these things happen when an overdose of roentgen rays is given. Bombed children's hair falls out. That is natural because these rays are used often to make hair fall artificially and sometimes takes several days before the hair becomes loose."

Nakashima differed with general physicians who have asked the regiment to close off a bombed area claiming that returned refugees are infected from the ground by lethal rays.

At emergency hospital No 2, young commanding officer Lt Col Yoshitaka Sasaki, with three rows of campaign ribbons on his breast, stated that 200 patients died of 343 admitted and that he expects about 50 more deaths.

Most severe ordinary burns resulted in the patients [sic] deaths within a week after the bomb fell. But this hospital began taking patients only from one to two weeks afterward. It is therefore almost exclusively "disease" cases and the deaths are mostly therefrom.

Twenty-five Americans are due to arrive Sept 11 to study the Nagasaki bombsite. Japanese hope that they will bring a solution for Disease X.

· Reprinted by permission of Dunow & Carlson Literary Agency
Copyright 1945, 2005 by George Weller

 

Alles bleef stil, doodstil

 

Getuigenissen van de atoombom op Nagasaki

Beschrijving: http://javapost.files.wordpress.com/2011/03/nagasaki_bomb.jpg?w=249&h=300

De A-bom op Nagasaki

In de berichtgeving over de recente aardbeving en vloedgolf in Japan worden veelvuldig vergelijkingen gemaakt met de gevolgen van de atoomaanval op Japan in 1945. De huidige beelden van een totale verwoesting brengen bij de nog levende getuigen van destijds herinneringen naar boven die moeilijk kunnen worden beschreven.
Terwijl Japanse en internationale media op zoek gaan naar Japanse herinneringen aan die verschrikkelijke momenten in augustus 1945, gaat de Java Post op zoek naar de Nederlandse connectie. Welke Nederlanders waren toen ter plekke? Hoe ervoeren zij de inslag?

Volgens militair historicus E. van Witsen bevonden zich tijdens de oorlogsperiode ongeveer 7200 Nederlandse krijgsgevangenen in Japan.
Volgens Amerikaanse schattingen lag dit aantal echter lager. Op 15 augustus 1945 zouden er nog 3800 zijn geweest; eerder waren er al 1100 overleden.
De Nederlanders werkten niet in de buurt van Hiroshima, maar wél in Nagasaki, in twee krijgsgevangenkampen die beide deel uitmaakten van de Fukuoka-groep: Fukuoka 14 in Nagasaki zélf, en Fukuoka 2 iets te zuiden daarvan.

 

De kampen

Beschrijving: http://javapost.files.wordpress.com/2011/03/nagasaki_fukuoka14-en-2.jpg?w=284&h=300

Epicentrum bom en locatie F-14 en F-2

De werkgever van Fukuoka 14 was de Mitsubishi Jukogyo Nagasaki Zosen-Jo (Mitsubishi Metaalgieterij). Het kamp was in gebruik van april 1943 tot september 1945. In totaal zijn ongeveer 400 Nederlanders ooit in Fukuoka 14 werkzaam zijn geweest. Volgens Amerikaanse opgaven bevonden zich in augustus 1945 nog 152 Nederlanders in het kamp, volgens een andere opgave waren het er nog ongeveer 170. Wat de sterftecijfers betreft: gedurende de hele bestaansperiode van het kamp overleden ruim 100 Nederlanders, de meesten ten gevolge van een longontsteking in de winter 1943/1944. Alleen al in de maand januari 1944 overleden 29 Nederlandse krijgsgevangenen.

Fukuoka 2 lag ongeveer 10 kilometer zuidelijker, op een voor de baai liggend eilandje. Tegenwoordig is dit eiland verbonden met het vasteland. Op enig moment huisvestte dit kamp 2000 krijgsgevangenen die allen werkzaam waren op de nabijgelegen scheepswerf. Volgens Amerikaanse opgaven bevonden zich op 15 augustus 1945 nog 324 Nederlanders in dit kamp, eerder waren hier ruim 40 Nederlanders overleden. In april 1945 was van Fukuoka 2 een honderdtal Nederlanders overgebracht naar een mijnencomplex te Itah, op een halve dagreis van Nagasaki. Zij hadden relatief geluk; zij zouden zich de A-bom slechts herinneren als een lichtflits op afstand.

Volgens deze gegevens bevonden zich dus in augustus 1945 tussen de 450 en 500 Nederlandse krijgsgevangenen in de buurt van Nagasaki. Het was hen op dat moment al bekend dat de Amerikanen aan de winnende hand waren. De B-29 bommenwerpers lieten zich met regelmaat boven de stad zien.
Van de atoombom op Hiroshima, op 6 augustus 1945, moeten de gevangenen geen weet hebben gehad. Hiroshima ligt hemelsbreed op ongeveer 300 kilometer van Nakasaki.

 

Het fatale moment

Het was mooi weer, die bewuste 9e augustus 1945. Misschien omdat het contrast tussen de situatie vooraf en de chaos en grijsheid daarná zo groot was, maakten meerdere getuigen melding van de mooie blauwe lucht.
Een getuige uit Fukuoka 14:

´Op dag dat de bom viel, bevond ik me in een barak en had daar een korte rookpauze. Opeens zag ik een gele flits en voelde een zware druk. Toen ik bij bewustzijn kwam, lag ik onder het puin en zag dat alles als in elkaar was gezakt. Door de enorme kracht ben ik vermoedelijk van de grond getild en ergens anders neergesmakt.
Het was griezelig stil, je zag en hoorde niets. Mijn eerste gedachte was deze plaats zo snel mogelijk te verlaten en de andere krijgsgevangenen te vinden. Ik wist echter niet in welke richting ik moest zoeken. Onderweg kwam ik S. tegen. Hij zat onder het bloed, maar dit bleek van een Japanner te zijn. Toen hij naar mij arm wees besefte ik pas, dat ik zelf ook gewond was. Het was een grote vleeswond die erg bloedde, maar gelukkig niets vitaals.´

En uit het iets verder gelegen Fukuoka 2:

Beschrijving: http://javapost.files.wordpress.com/2011/03/nagasaki_fukuoka2_scheepswerf.jpg?w=300&h=240

Scheepswerf Fukuoka 2

´Vanaf ´s morgens vroeg cirkelden nu en dan 2 à 3 toestellen boven Nagasaki, maar omdat ze niets deden, moesten wij om half elf de schuilkelders uit en weer aan het werk. Een half uur later gebeurde het! Plotseling werd alles op een vreemde wijze verlicht en tot onze verbazing en ontzetting steeg achter de heuvel, die Nagasaki gelukkig aan ons oog onttrok, een felwitte zon op, die zich krijgsgewijze uitbreidde, net als de kringen die je ziet, als je een steen in het water werpt. Toen steeg ineens een kaarsrechte steekvlam honderden meters hoog loodrecht de lucht in. Ieder ging aan de haal. Ongeveer 10 seconden later (gelukkig waren we 7 kilometer van de stad) hoorden we een luide ontploffing, een warme luchtstroom blies langs ons en overal werden wanden en ruiten ingedrukt.´

Heel beeldend is de volgende getuigenis:

´Het was prachtig weer: de lucht was blauw, kristalhelder, als bij echt oostmoessonweer op Java. Die morgen was ons groepje aan het werk gezet op het schip. Het was ongeveer elf uur. Wij zouden juist beginnen, nadat de boorders de gaten geruimd hadden. Ik zat op een dekbalk met mijn rug naar Nagasaki en mijn maat zat tegenover mij. Eensklaps wees hij met zijn vinger naar iets achter mij. “Kijk daar eens!” riep hij stomverbaasd. Wel, ik draaide min hoofd om en keek. Ik voelde mij alsof ik een nietig stofje was in Gods schepping, mijn hele wezen scheen te trillen door supermagnetische golven, die hun oorsprong vonden in het tafereel dat ik aanschouwde. Het was alsof wij getuige waren van een groots natuurverschijnsel. Vele mannen, dat vernam ik later, dachten inderdaad dat het een natuurverschijnsel was. Wat mijzelf betreft, ik bleef een paar tellen, die geen einde schenen te nemen, sprakeloos. Ik zag een onbeschrijfelijk sterk, wit licht, dat men zou kunnen vergelijken met het licht aan het einde van een lasbout, maar het duurde veel langer, ongelooflijk lang. Toen verspreidde zich tegen de achtergrond van dit felle, witte licht, een roodachtig getinte gloed, die veel sterker was dan daglicht. Deze begon bij de grond, sprong omhoog als een machtige fontein en langzaam, heel langzaam ontwikkelde hij zich tot een enorme paddestoel.
Dit alles nam ik in één oogopslag in mij op. Het volgende ogenblik was ik overeind en riep mijn maat toe: “Maak dat je wegkomt!” Terwijl mijn ogen langs de dekken en langs de wanden van het dok gleden, zag ik nog geen tekenen van opwinding onder de mannen. Er was ook geen alarm gegeven. Maar mijn instinct waarschuwde mij. Ik verwachtte het volgende ogenblik al bomontploffingen, zo vlakbij scheen mij het verblindende licht. Ik sprong weg. (…)
Een paar tellen later voelde ik een hevige schok. Het schip sidderde, alsof er een aardbeving plaatshad. Tegelijkertijd voelde ik een zware stormwind als bij een ontploffing. Toen ik omhoog keek, zag ik iets merkwaardigs. Alle ramen van het gebouw aan de noordkant van het dok kwamen tegelijkertijd met kozijnen en al naar beneden dwarrelen.
Ik gleed omlaag langs de steiger en zocht dekking. Toen hoorde ik een onderdrukt gerommel als van onweer ver weg. “Nou komt het”, dacht ik, nog steeds in de overtuiging dat de werf gebombardeerd zou worden. Ik wachtte op de ontploffingen, maar er kwam niets. (…) Vreemd genoeg bleef alles stil, doodstil.´

Vreselijke brandwonden

De volgende dagen – het zou nog een kleine week duren voor Japan capituleerde – werden de krijgsgevangenen ingezet bij het bergen van de lijken en verzorgen van gewonden. Eén van de mannen toont zich opvallend vergevingsgezind:

Beschrijving: http://javapost.files.wordpress.com/2011/03/nagasaki002.jpg?w=191&h=300

´It was too much, too enormous to absorb.´ - Yosuke Yamahata

´Mijn vrienden die buiten stonden, hadden merendeels brandwonden. Enkelen waren er erg aan toe. Het ergste vond ik dat je ze niet kon helpen, er waren geen medicijnen.
Toen er overal vlammen oplaaiden, ben ik de heuvels ingevlucht. We waren allemaal de kluts kwijt. Later toen ik enigszins over de schrik heen was, realiseerde ik mij dat er in ons kamp nog mensen waren die hulp nodig hadden. Ik ben toen de heuvels afgedaald. De eerste die ik op de grond zag liggen was een Japanse soldaat. Hij klaagde over pijn in de buik en hij kon niet meer op zijn benen staan. Ik heb hem een eind de heuvel opgedragen en hem bij een paar Japanse burgers achter gelaten.
Overal stond de stad in brand, het was een angstaanjagend gezicht. Er stond een stevige wind, waardoor de brand steeds meer aanwakkerde. Nadat ik weer beneden was, zag ik vele gewonden die vreselijke brandwonden hadden aan armen en benen. Bij sommigen hingen grote stukken huid aan hun lichaam of zij hadden gebroken ledematen. Het viel me op dat ze niet kreunden of schreeuwden van de pijn, maar alles gelaten over zich heen lieten komen. (…)
De ontreddering was overal groot. Voor het eerst voelde ik geen vijandschap meer.´

De slachtoffers

De Amerikaanse president Harry Truman liet diezelfde dag nog weten: ´I realize the tragic significance of the atomic bomb… It is an awful responsibility which has come to us… We thank God that it has come to us, instead of to our enemies; and we pray that He may guide us to use it in His ways and for His purposes.´
Misschien had hij gelijk, wie zal het zeggen? In Nagasaki vielen die dag echter tienduizenden doden, en uiteindelijk werd het aantal slachtoffers geschat op tenminste 60 duizend. Velen stierven nog maanden ná het bombardement aan straling, brandwonden en ander letsel.

Beschrijving: http://javapost.files.wordpress.com/2011/03/nagasaki_uss-chenango_1943.jpg?w=300&h=232

USS Chenango, 1943

Onder de Nederlanders in Fukuoka viel slechts een tiental slachtoffers. In Fukuoka 14 waren twee dagen na de bom vier gevangenen overleden: een zekere Meegens, timmerman A. Groen, R. Shaw en Don Holthausen. Op 14 augustus overleed kampcommandant lt. Aalders, en later die maand zouden nog drie anderen komen te overlijden: Beer, Joseph en Coumans. Tenminste één van hen, maar mogelijk twee, zijn bezweken aan tetanus of een andere infectie. Als laatste overleed E.L. van Menxel, op 29 september, aan boord van een hospitaalschip. Hij was in Fukuoka 14 al ziek en stierf aan tuberculose, dus niet ten gevolge van de atoombom. In Fukuoka 2 overleed slechts één Nederlander kort na de bom, korporaal J.S. Berg, op 24 augustus 1945. Het is niet bekend hoeveel krijgsgevangenen (veel) later alsnog aan de gevolgen van de bestraling zijn bezweken.

De thuisreis

Enkele weken na de Japanse capitulatie arriveerden de Amerikanen in Nagasaki. Na een ontsmetting met DDT te hebben ondergaan, werden de ex-krijgsgevangenen met de tot vliegdekschip omgebouwde olietanker ´USS Chenango´ vanuit Nagasaki naar Okinawa gevaren. Vandaar ging de reis verder per vliegtuig naar Manilla.
Het zou nog heel lang duren voor de mannen hun families weer zouden zien. De meesten ontmoetten hun geliefden pas in het voorjaar van 1946. Natuurlijk hadden ze een verhaal. Maar hun vrouwen en kinderen hadden óók een verhaal. En al die verhalen waren zó verschrikkelijk dat de meesten maar besloten er nog weinig op terug te komen.
We weten niet hoeveel krijgsgevangenen nu nog in leven zijn. Véél zullen het niet zijn. We mogen echter wel aannemen dat de afgelopen dagen al deze overlevenden bij het zien van de beelden uit Japan hebben teruggeblikt naar hun eigen verleden. Misschien met wrok of onbehagen, maar zeker met herkenning.

Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 30-10-2012